Geen zin meer in pianospelen

Een Parkinson patiënt is behandeld met ‘Deep Brain Stimulation’, een techniek waarbij minuscule elektroden in de hersenen worden geplaatsts. Hij hield altijd erg van pianospelen, maar als gevolg van zijn aandoening lukte dat niet meer. Dankzij de elektroden in zijn hersenen kan hij weer pianospelen, maar nu vindt hij het niet meer zo leuk.

Een uit het leven gegrepen voorbeeld van de onvermoede effecten van toepassing van nanotechnologie. Het kwam aan de orde tijdens de speciale uitzending van het NCRV-programma Schepper & Co over nanotechnologie op 14 november 2010. Het project is mede gefinancierd door Nanopodium.

Het eerste uur bestond uit een voor radio bewerkte documentaire over nanotechnologie met daarin onder meer een dialoog tussen nanotechnoloog Cees Dekker, filosofe Palmyre Oomen en Jan Staman, directeur van het Rathenau Instituut. Later op de dag is de documentaire uitgezonden op digitaal kanaal ‘Spirit24’. In het tweede uur van de uitzending werden reacties van luisteraars besproken door Ineke Malsch en Rene Munnik.

Voor Palmyre Oomen, bijzonder hoogleraar wijsbegeerte aan de TU Eindhoven en een van de deelnemers aan het eerste gesprek was het voorbeeld van de pianospelende Parkinson patiënt nogal heftig. Niet zozeer omdat de patient niet meer van pianospelen houdt – daar is nog wel mee te leven - maar vooral omdat het laat zien dat ‘Deep Brain Stimulation’ iemands persoonlijkheid kan veranderen. Waarmee de vraag zich opdringt wie we zijn als persoon.’
 
In het verlengde hiervan ligt de vraag of we deze technologie mogen gebruiken om onszelf te verbeteren. Wat is eigenlijk het verschil met mensen die een pilletje nemen om beter te functioneren, vroeg Jan Staman, directeur van het Rathenau Instituut. Als voorbeeld noemde hij Ritalin, een geneesmiddel voor mensen met ADHD. Het wordt echter steeds vaker ook gebruikt door studenten die tentamen moeten doen om zich te concentreren.

Op de vraag of hier de grens tussen genezen en verbeteren van de mens (human enhancement) dreigt te worden overschreden, antwoordde Palmyre Oomen, dat die grens niet bestaat. Als mens zijn we allang geen puur natuur meer, stelde ze. Al vanaf het begin van de mensheid gebruiken we technologie om onszelf te verbeteren, zoals een bril of een wandelstok. De vraag is niet of er al of niet een grens wordt overschreden, maar hoe we omgaan met nieuwe technologie.

Cees Dekker, hoogleraar bionanotechnologie aan de TU Delf, voegde er aan toe dat je die vraag alleen maar werkendeweg kunt beantwoorden. Technologische ontwikkelingen en de manier waarop mens en samenleving ermee omgaan kun je immers niet voorspellen. Als voorbeeld noemde hij de ontwikkeling van computers in de jaren vijftig. Indertijd verwachtte men dat je met tien computers de hele wereld wel van voldoende rekencapaciteit kon voorzien. Nu, zestig jaar later, zitten er alleen al vijf maal zoveel computers in een auto.

Juist vanwege die onvoorspelbaarheid is het noodzakelijk om met elkaar in gesprek te blijven, stelde Jan Staman. De kunst is om een manier te vinden om het proces van het gezamenlijk vormgeven aan de wereld van morgen gestalte kunnen geven. Dat is niet eenvoudig, want vaak ontstaat er wantrouwen over elkaars motieven. De essentie is, aldus Staman, om veel te blijven praten en te erkennen dat niemand de waarheid in pacht heeft.

Dat gesprek, die dialoog wordt bemoeilijkt. Enerzijds door de huiver die het begrip nanotechnologie bij veel mensen oproept, anderzijds de fascinatie voor een technologie die werkelijk alles lijkt mogelijk te maken. Ten onrechte, vond Cees Dekker. Al het gepraat over huiver versus fascinatie zet nanotechnologie in de hoek als iets dat heel eng is. Terwijl er in feite niet zoveel aan de hand is. Voedingsmiddelen bijvoorbeeld bevatten van nature al nanodeeltjes. Als je daar kunstmatige nanodeeltjes aan toe wil voegen, moet dat uitgebreid worden getest.

Jan Staman was dat niet met hem eens. Om te beginnen weten we nog niet precies hoe we moeten testen op mogelijke effecten van nanodeeltjes zei hij. Op de tweede plaats weten we niet wat de industrie doet. De maatschappelijke huiver voor nanotechnologie, maakt de industrie huiverig om te vertellen waar ze mee bezig zijn. Op zijn beurt versterkt dat weer de huiver bij de consument.

In een telefonische reactie stelde Germ Visser, woordvoerder nanotechnologie van DSM, dat veel bedrijven inderdaad niet happig zijn om te vertellen wat ze doen aan nanotechnologie. Voor een deel heeft dat te maken met onzekerheid over de publieke opinie en het toekomstige beleid. Voor een deel heeft dat een veel pragmatischer reden, namelijk dat een bedrijf kennis graag voor zich houdt vanwege de concurrentie.

Volgens Germ Visser is DSM een van de weinige bedrijven die zoveel mogelijk naar buiten treedt en actief is in de maatschappelijke dialoog over nanotechnologie. Hij vond dat bedrijven niet al te huiverig moeten zijn voor de publieke opinie, maar het publiek zo goed mogelijk moeten informeren. Immers, onbekend maakt onbemind.

Rene Munnik, hoogleraar Wijsbegeerte aan de Universiteit Twente was het daar volmondig mee eens. Hij stelde, in het tweede uur van de uitzending, dat goede informatie wezenlijk is voor een goede dialoog. Mensen moeten globaal weten wat de technologie inhoudt en wat de werkelijke risico’s zijn. Als voorbeeld van hoe het niet moet noemde hij de verhalen over nanorobots, die in het menselijk lichaam allerlei taken gaan vervullen. Pure fictie, meent hij, die alleen maar leidt tot angstvisioenen.

Angst is een slechte raadgever. In reactie op een luisteraar stelde Rene Munnik dat bijna alle technologie positieve en negatieve aspecten heeft. Ook nanotechnologie opent nieuwe mogelijkheden, zoals betere materialen voor een kunstheup. Tegelijkertijd schep je nieuwe risico’s, zoals de mogelijke effecten van nanodeeltjes op gezondheid en milieu. Technologie als brug naar een utopie een wereld van melk en honing en als bron voor anti-utopieën, variërend van een ‘Brave New World’ tot apocalyptische visioenen van het einde der aarde.

Het is goed om afstand te nemen van zowel utopie als dystopie, meent Ineke Malsch van Malsch Technovaluation, een adviesbureau voor het omgaan met opkomende technologieën. Religie kan daarbij helpen, maar ook andere tradities stimuleren mensen tot reflectie. Daar moet het echter niet bij blijven. Volgens Ineke Malsch moeten burgers meedenken over de vraag hoe je met behulp van nanotechnologie de wereld beter kunt maken. Burgers zouden onderzoekers en bedrijven, maar ook de overheid kunnen stimuleren om aandacht te besteden aan de ontwikkeling van nanotechnologie voor de kansarmen in de wereld.

Verslag van de speciale radiouitezending van Schepper en Co op 14 november 2010 door Joost van Kasteren.
Lees hier meer over het project Nano. Geloven in het Kleine.